Jun 01

Minister Schippers schrapt de landelijke campagnes die het gebruik van alcohol, drugs, tabak en ongezond eten ontmoedigen. De minister hoopt zo zo’n anderhalf miljoen euro te besparen. Volgens de minister zijn de spotjes niet effectief, betuttelend en wil ze juist ‘verleiden’. Maar een belangrijke vraag is: ‘Wat is een campagne?’ Is dat een losstaand tv- en radiospotje dat je 6 weken uitzendt? Zo ja, dan kun je wel op je klompen aanvoelen dat je daar geen baanbrekende, langdurige resultaten mee gaat behalen.

Zoek de juiste partners
Het grootste probleem is dat de gemiddelde PB51-campagne maar 1 of (max.) twee jaar (6 weken) loopt en zich daarnaast beperkt tot massamediale inzet. Maar het is juist belangrijk om allianties aan te gaan en elke campagne goed te bekijken wie jouw (maatschappelijke en commerciële) partners en relevante decentrale overheden zijn (die allemaal dat gezamenlijke belang hebben), waarmee je de boodschap ook op lokaal niveau (1-op-1) onder de aandacht kunt brengen en direct op gedrag kunt sturen. Dat kan zelfs gerichte handhaving zijn (verkeersregels, rookverbod, etc.), ook dat kan mede bijdragen aan het gewenste gedrag. Dan kunnen massamedia bijdragen aan awareness, maar bijv. ook bestaand, goed gedrag bevestigen. Want als het goed gaat, is het verstandig om de mensen eraan te blijven herinneren dat ze het goed doen en hen te complimenteren daarmee. Grote merken doen niet anders.

Bob-campagne als voorbeeld
De Bob-campagne doet dit ook; het communiceert op massamedia op een humoristische wijze de algemene campagneboodschap en laat altijd het gewenste gedrag zien (een nuchter iemand die de Bob is). Maar tegelijkertijd spreken we met de politie af dat ze na de start van de PB-51 campagne intensiever gaan controleren op alcohol. En daarover communiceren zij ook. En VVN en Team Alert gaan dan de kroegen in met blaasapparatuur en beloningsgadgets om die echte Bob’s te belonen en met de mensen in gesprek te gaan. En met de koepelorganisatie van de brouwers (CBK) spreken we af dat de horeca in diezelfde periode speciale Bob-viltjes op alle bars en discotheken in Nederland legt. En tijdens de campagneperiode plaatsen alle gemeenten de campagneposter op hun eigen outdoornetwerk langs de kant van de weg. Op die manier is de campagne dus in de haarvaten van de samenwerking zichtbaar en aanwezig dankzij een netwerkaanpak van allemaal partijen met een gezamenlijk belang.

Het succes van de netwerkaanpak
Voor elk campagnethema kun je diezelfde (succesvolle) aanpak hanteren. Een campagne over veilig internetten kun je denk ik niet succesvol voeren zonder de ICT- en softwarebranche en de detailhandel. Natuurlijk hebben merken van virusscanners en computerwinkels vooral een commercieel belang, maar uiteindelijk toch hetzelfde maatschappelijke belang als de overheid (burgers die veilig over het internet kunnen surfen). Waarom dan niet de handen ineen slaan en zorgen dat burgers bijv. door een flinke financiële prikkel massaal virusscanners kopen? Of in de winkels tijdelijk gratis workshops “Veilig surfen” kunnen volgen? Dat geldt ook voor gezondheidscampagnes; ga allianties aan met relevante actoren in de gezondheids- en foodsector en gemeenten, scholen en sportclubs. Dat vraagt om het zorgvuldig opbouwen van een goed netwerk van relevante partijen rond elk thema. Dat kost veel tijd, maar als je dat eenmaal hebt staan, kun je daar altijd weer op voortborduren. De overheid moet nou eens af van het idee dat maatschappelijke problemen enkel het probleem van de overheid zijn.

Conclusie
Een PB51-campagne kan best succesvol zijn, echter als onderdeel van een bredere netwerkaanpak. Een campagne is dus véél meer dan een spotje. En het vraagt om een lange adem. De Bob-campagne bestaat in januari 2012 tien jaar, is nog steeds relevant en -in tegenstelling wat nu wordt beweerd over PB51-campagnes- nog steeds effectief. En dat is een verdienste van alle netwerkpartners.

Nov 03

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de interesse groeit bij mensen om meer te worden betrokken bij de vorming van beleid. De behoefte om (mee) te praten en (mee) te beslissen over politieke en maatschappelijke kwesties neemt bij de mensen dus steeds meer toe. Er komen nu vanuit de overheid steeds meer initiatieven om burgers te laten participeren.

Op http://www.eparticipatiedashboard.burgerlink.nl/ staat mooi overzicht van lopende burger- en overheidsinitiatieven.

Overheid als initiator en facilitator
Als het om nieuw beleid van de overheid gaat, is het logisch dat de overheid deze participatie initieert en faciliteert. De bal ligt dan bij de overheid. Natuurlijk is het daarbij van belang, dat er alles aan gedaan wordt om het participatieproces optimaal voor te bereiden, in te richten en te volbrengen. Dat begint bijvoorbeeld al bij de selectie van het onderwerp en het scheppen van duidelijkheid over het doel van de participatie en de te nemen stappen traject. Gaat het bijvoorbeeld om meedenken, of gaat het ook om meebeslissen? Daarnaast is het ook van belang om ervoor te zorgen dat de relevante doelgroepen worden geïnformeerd over het participatietraject. Weten de mensen niet dat er een traject loopt, zullen ze ook niet meedoen.

Burgerrecht of burgerplicht?
Maar wat nou, als straks blijkt dat die wil om te participeren best meevalt? Of eigenlijk tegenvalt? Is het dan nog steeds een recht van de burger om te participeren, of kun je het ook omdraaien: het wordt straks de plicht van de burger om te participeren? Dus participatie als burgerplicht? Heeft de burger immers ook niet een verantwoordelijkheid ten aanzien van het oplossen van maatschappelijke issues, samen met de overheid? En, wat kun je als overheid dan doen als het straks de burger is die z’n verantwoordelijkheid niet neemt? Moet de overheid daar ook alvast over gaan nadenken? Wat vinden jullie?

preload preload preload